pijn. Ze was niet boos op Rudi geweest, geen moment, ze wist, ze was voor hem een vreemd meisje, dat hij beter geacht dan de anderen, en daarom onderscheiden had. Maar dat hij moeilijkheden en last zou verdragen om haar, dat vergden haar gedachten geen enkele maal. Tegelijk echter leek het haar volmaakt-natuurlijk, dat zij alles, alles denkbaars zou willen offeren en verdragen om hem.
Dit was geen zelf-vernedering, geen gevoel van kleinheid. Dat kende ze niet. Ze zag, ook toen ze 't wist, nooit in hem den rijken eigenaar van een fabriek, den jongen man van goede familie, — niets was hij dan Rudi, Rudi met zijn zonnige oogen, met zijn meisjes-zachte wangen en met z'n verrukke-lijken mond, naar welken ze in enkele momenten, schaamtevol om haar gedachten, reeds verlangen dorst.
Op een dag, thuiskomend, zag ze op de toonbank in den winkel een pakje in grauw papier, een witten brief erboven op. Zijn hand, de lieve hand van Rudi. Ze duizelde een oogenblik op haar beenen, greep onder den verbaasden blik van de redderende Debora naar boek en brief als naar een prooi, en las... . Rudi zond haar boeken, boeken van hem-zelf, de boeken, die waarover ze hadden gesproken de laatste maal.
Hij repte met geen woord van haar plotseling wegblijven, noch vroeg haar terug te komen. De boeken kon ze zoolang behouden als ze wou, ze moest ze maar aandachtig lezen, hij had er nog veel meer. Jammer dat ze geen talen kende — Roosje nam zich onmiddellijk voor, tenminste Duitsch te gaan leeren — dan zou hij haar z'n heele kast-vol hebben kunnen leenen. Nu moest hij zich beperken tot wat hij, en dat was betrekkelijk weinig, aan goede Hollandsche boeken bezat.
Die brief, die toch geen enkel schertsend of teeder
'274