woord bevatte, vervulde Roosje voor den tijd die kwam met een diep geluk, dat hare gedachten bijkans niet omvamen konden, hoe gestadig ze het ook overdacht en dat haar innerlijk leven geheel en volkomen vervulde. Er was nu niets meer buiten hem, geen geluk denkbaar zonder hem, en het lange leven, dat achter haar lag, leek haar nu een dorre, benauwde droom, waaruit ze eindelijk was ópgewaakt en waarin ze niet van nieuws af meer zou kunnen terugleven.
Ze had de laatste jaren veel gelezen, ze vond het prettig, boeken waren leerzaam of onderhoudend en beide soorten waardeerde ze. Nu was het geen waar-deeren meer, nu leefden de boeken, de boeken van Rudi. Ze kreeg geen versregel onder de oogen, die haar niet voor hem-en-haarzelf geschreven leek, geen gedachte, die ze niet met blijde verbazing herkende als een van haar eigene. Ieder gevoel leek haar een deel van haar eigen ziel, ieder liefdelied de jubelzang van haar eigen liefde, iedere klacht haar klacht, als ze hem zou moeten verliezen. Geen beeld van geluk ging het hare te boven, geen held, geen dichter, geen weldoener in haar boeken, of hij had Rudi's trekken en Rudi's ziel.
Maar toen de dag kwam, dat ze hem, naar afspraak, zou schrijven, dat ze de boeken uitgelezen had en dat hij iemand van z'n fabrieksvolk kon zenden om ze te halen, toen wist ze niet, wat ze schrijven moest. Rudi had haar oordeel gevraagd, en ze had geen oordeel. Wat haar de verzen van tot nu toe onbekenden klank, de rijke, kleurige boeken hadden doen genieten, doen voelen, ze durfde het hem niet schrijven. Toen had ze maar wat verteld van haar voornemen, Duitsch te gaan leeren, van het groote geluk, dat boeken haar gaven in haar bedrukte leven met vader thuis.
En twee dagen na het verzenden van den brief lag
'275