tweeën verteld van Esther en welken weg die was opgegaan. Alles reeds de allereerste maal, na Roosjes vertrek.
Ze had, de latere malen, wel opgemerkt, hoe kren-kend-stroef de houding van de andere heeren was, hoe het volk grinnikte en jouwde over de toonbank heen, hoe ze Rudi kwalijk namen, wat hij had gedaan, en ze had niet geweten wat te doen. Bij 't naar huis gaan was ze nageschreeuwd, de gewone schel-derijen van Jood en van smaus, maar met ergere woorden óók, die ze riepen tezamen met Esthers naam. Het was eenmaal een heel relletje geweest, en agent was er aan te pas gekomen en had haar tot het begin van het buurtje naar huis geleid.
En toen ze daarna weerkwam, vond ze Rudi veranderd. Hij was vriendelijk en zacht als altijd, ze hadden hun boeken-praatje, afgezonderd van de anderen, als gewoonlijk, maar zijn oogen waren minder zonnig, zijn mooie mond stroef, zijn heel gezicht verduisterd. Ze wist niet of 't was om het relletje of om wat hij had vernomen van Esther; ze schaamde zich brandend-diep, met een gevoel of ze inwendig bloosde en was heel gauw weggegaan.
Toen was ze niet meer teruggekomen en waren er twee weken, twee Donderdagen verloopen, zonder dat ze iets van Rudi had gehoord. Hevig geleden had ze die beide weken, zich voelend of ze inwendig gebrandmerkt was, of ze haar eigen schamelheid en den smaad van haar zuster op het voorhoofd droeg. Het was het zwaarste dat ze ooit doorleefd had; erger dan de Joum-Kippoer van Daniëls vertrek, erger dan de schrikkelijke Chanoeka-avond, erger dan vaders klaaglijk schreien in bed, urenlang, in den nacht na den dag dat Jozefs kind besneden had moeten worden. 't Leek haar nu of niets van dit alles dat toen zoo vreeselijk scheen, haar diepste innerlijk had geraakt, en dit wèl, dit heel hevig, met een vlijmende
De Verlatene 10
'273