zelf. En ze overdacht dit alles, al het heerlijke, het wonderlijke, dat van hem alleen was gekomen, in de lange eenzame uren, die haar nu niet lang meer vielen en niet eenzaam meer schenen. Nu leek alles in haar en om haar veranderd, alles licht en leven, dat tevoren duisternis en troosteloosheid was geweest. Alles voor vader geschiedde met verdubbelde toewijding, sinds ze hèm kende, en den uiterlijken ondank, het gebrek aan belangstelling van den ouden man, dat haar eertijds zoo smartelijk was geweest, ze achtte dat zelfs niet meer. Toch had alles aanvankelijk wel anders geleken, had ze nieuwe droefheid, van nooit-gekende hevigheid en ongeweten aard moeten doorleven, vóór het geluk gekomen was.
't Had immers maar enkele weken geduurd, dat ze komen mocht in de bibliotheek en een minuut of wat of een kwartiertje praten met hem, voor ze heenging met haar boeken.
Ze hadden het, wist ze nu, Rudi van den eersten keer af lastig gemaakt, om wat hij voor haar had gedaan, Dominee Wijmers, en bovenmeester Jansen — die van zeer geringe afkomst was en zich dus buitengemeen voelde, — die vooral, 't Gaf ontevredenheid, vond Jansen, Roosje Lehren was een buurtjeskind, en al had ze een mooi gezichtje, al praatte ze wat nuffig, ze was daarom niet meer of beter dan de anderen. 't Onderwijs, dat ze had gehad? De lagere Volksschool, een paar maanden op de Normaalschool en daarmee uit. En ze had zelfs nimmer uitgeblonken. Dat had Jansen verteld. En Wijmers, de statige Dominee — dien Rudi zoo kostelijk kon nadoen — die had gewaagd van de praatjes, die het zou geven, en die geen pas hadden, praatjes over hèm, Hannema, een fabrikant, wèl jong nog, maar reeds tot de eersten van 't dorp behoorend, en een meisje van zulk een, — ja, hij had het gezegd — zulk een verdachte familie. Toen hadden ze hem met z'n
'272