terlaten, als hèm het kussen met Heilige Aarde onder het hoofd zou zijn gelegd.
XLV
Voor het eerst van haar leven verblijdde het Roosje, dat Vader haar niet de minste aandacht wijdde, haar zorgen niet telde, haar droefheden en angsten niet opmerkte zelfs. Nu ontging hem ook geheel en al, wat ze innerlijk en uiterlijk in zich voelde veranderen, nu. vermoedde hij ook niets van het licht, het schitterende vreugdelicht, dat binnen in haar brandde, haar liefde voor Rudi.
Het was al voorjaar geworden, de volksbibliotheek sinds weken gesloten, maar Rudi ontmoette en sprak ze nog vaak.
Buiten het dorp was een fabriek van chemische producten, die bestond allang, zoo lang als Roosje wist. Ze had als kind dat oude, grijze gebouw al gekend, somber en stuursch, temidden van de groene weilanden. Ze kende den berookten hoogen schoorsteen, die zomer en winter door, z'n roetzwarte, rus-telooze walmpluim zwaaide tegen blauwe of grijze lucht. Ze wist, dat er tientallen mannen werkten, die ze 's avonds zag terugkomen — ook enkele mannen van hun buurtje waren erbij — met vettig-vuile kleeren en bestoven gezichten, en de seinfluit, van den morgen, 't schaftuur en den avond, kende ze van jaar-in-jaar-uit gehoord te hebben.
Die fabriek was sinds kort Rudi's fabriek, zijn eigendom, die hij beheerde met een ouderen boekhouder tezamen, en Rudie was de chef van al de mannen, die er 's morgens gingen en 's avonds kwamen, 't smalle, zwarte paadje over, naar en van de fabriek, een kwartier buiten 't dorp.
Ze wist dat allemaal en nog veel meer van Rudi-
'271