zegd. Zóó verging het een Jood, als hij zich begaf onder de ״vrijen", die de pest en de kanker van het Jodendom zijn, feller haten dan de verbitterdste „goj", erger aanstoot geven dan de grootste Jodenhater, wreeder spotten dan wie ook. Het had met Jozef niet zoo ver hoeven te komen, als hij naar raad had geluisterd, als hij Rebecca Kapper niet had getrouwd, als hij zich niet had begeven in dien verrotten kring, in dat nest van spotters en verguizers. Toestemming had hij gegeven — vroegen ze er naar, deden ze toch niet al wat ze wilden? — om Jozefs patroon, om van het gezeur af te zijn. Nu was hij Jozef kwijt, die toch een goede zoon was geweest, gehoorzaam en gedwee, anders dan Daniël, die al opstond, toen hij dertien was. Waarom was moeder niet blijven leven? Alle ramp kwam ook wel op hem. Zou niet heel veel anders zijn gegaan, als zij langer had mogen vertoeven in hun midden? En nu, nu was ook de Rebbe dood, een genadige dood mocht het heeten, een „mitswe"-dood, waarmee God hem ver-lóste van veel ergernis, van plaag, van een gevloek-ten ouderdom. Wat had het hem altijd gestoken, den Rebbe, dat hij zoo weinig in tel was geweest: wat had het hem gehinderd, dat ze hem allemaal boven 't hoofd groeiden, dat ze „vrij" werden één voor één tegen iedere leering en onderricht in. Nu was-ie dood, hadden ze hem begraven — net aan minjam was er geweest — en gauw zou er een ander wezen.
Wie? Een jonkie natuurlijk, die door de vingers zou zien en trouwen zou met de dochter van Boas, of met de dochter van Hirsch en meedoen met de kliek; aan de zonde en het „moderne" verderf. Wat deed hij hier dan nog langer, hij, wien alles was ontnomen? Roosje was er nog. Roosje zorgde voor hem, de laatste, de laatste. Zou hij haar houden? Ze was kalm, ze was best, ze zei niemendal: de anderen hadden óók niet gewaarschuwd. Hij ging haar na op
'269