minste verschooning voor. Het had niet mogen bestaan; men brak niet met zijn plicht, niet met zijn geloof, en wie het toch deed, was als ontaarde verfoeie-lijk, werd van hem niet meer gekend. Hij steenigde nog naar Oud-Testamentische wijs, hij steenigde ten doode toe, zonder genade, naar den regel van een ijzerharde wet.
Esther had hij uitgestooten, over haar gerouwd als over een doode: nooit zou hij de onreine dochter met geweld hebben terug gehaald: de heiligheid van zijn Joodsche woning gold hem zelfs boven de uitoefening van zijn vaderlijk gezag. Daniël had hij uitgestooten, hem de hand geweigerd, toen hij weer kwam. Hij zou hem de hand blijven weigeren, tenzij hij zich weer bekeerde tot het goede.
Esther was nu gestraft, Gods eigen hand had haar geslagen, en toch zag hij goedheid in die straf. Haar waanzin dekte, verzoende, kweet haar vrij van het verleden, haar waanzin onthief haar van wroeging, van het kwellende zelfverwijt. Ze had het nu goed, ze zou het goed hebben, zoolang hij voor haar zorgen kon, ze at nu alleen wat geoorloofd was en om haar heen werden Sabbathdag en vasten in acht genomen. Ze was, gestraft en begenadigd tegelijkertijd, in het Jodendom teruggekeerd.
Maar Daniël zou niet terugkeeren, hij was verstokt en verdorven, hij was de Goddelooze zelf, de aanschenner van Gods naam, die op één en denzelfden dag zijn vader beleedigd, de gemeente vertoornd en voor altijd God verlaten had. Uit zijn hart ge-stooten had hij hem, zijn zoon was hij niet langer. Hij wist niet, wat die jongen deed, hoe hij leefde, waar hij woonde, 't deerde hem niet, 't raakte hem niet.
Ook Jozefs huis zou hij niet meer betreden, nooit Jozefs zoon, het onbesneden kind, zijn eenigen kleinzoon, aanschouwen. Hij had het voelen aankomen, al had Jozef niets gezegd, al had hij-zelf niets ge
'268