XLIV
De oude Rebbe was gestorven; op een helderen, koelen dag was hij begraven en Lehren, oud en moe, uitgeput thuiskomend van de verre begraafplaats, wenschte hartgrondig, dat het nu met hem ook maar gauw uit mocht wezen. Waarom hadden ze hem met kunst-en-vliegwerk opgeknapt uit zijn laatste ziekte, terwijl het hem zoo wèl was geweest, te sterven? Dat er voor hèm niemand het Kaddisj zou zeggen, die bittere gedachte, was hem allang gemeenzaam geworden. Eenzaam leefde hij nu, in het eenzame sterven geresigneerd. Vreemden zouden voor hem het ״sjeimets" zeggen, wanneer het hem tenminste niet te beurt viel, als z'n vrouw, plotseling en alleen te sterven. De vrees daarvoor, dat hij verstoken zou zijn van de vertroosting des gebeds om hem heen in zijn sterfuur, hield ihem zoo vast, dat hij geen oogenblik alleen thuis wilde zijn, als hij zich ongesteld voelde. Iemand moest er gereed staan, de geloofsgenooten op te roepen voor het „sjeimets", als zijn laatste uur zou zijn gekomen.
Hij had nooit gemord, tegen wat er aan leed en schande over hem heen geslagen was, en evenmin inwendig berustings-redeneeringen gehouden. Het berusten was zijn hoogste wet, tot natuur geworden; hij had nog nooit de geringste opstandigheid tegen zijnen God te bedwingen gehad. Wat hij te dragen kreeg, aanvaardde hij: het viel zwaar op hem neer, zoodat hij eronder boog, dieper en dieper en wel eens meende, dat het hem breken zou, maar hij morde niet. Ook overdacht hij nooit, wat zijn kinderen wel kon hebben bewogen te leven, zooals ze leefden, te doen, zooals ze gedaan hadden, noch waarom de geheele kille „vrij" was geworden, het „sjoelgaan" verslapte, de heilige verplichtingen niet meer in aanzien waren.
Hij zag het, hij nam het waar, en had er niet de
'267