begeerde, de boeken, zou ze maar weer missen of trachten opnieuw een wekelijksch dubbeltje te sparen voor het eene boek uit het bibliotheekje vandaan, dat haar nu ineens zoo duf en ouderwetsch toescheen. En het gevoel van droefheid, dat ze wel moest waarnemen in zichzelf: van droefheid, omdat ze nu ook nooit meer dien jongen, dien lieven, mooien, zacht-lachenden jongen zou terugzien, dat oordeelde ze een leelijk gevoel, een zelfvernedering, te overwinnen en te weerstaan.
Toen was, den anderen dag, het groote, het heerlijke geschied, dat ze een briefje had ontvangen van hem. Een kort, beleefd briefje, waarin hij zich verontschuldigde, dat hij met haar had gesproken, zonder zich te hebben voorgesteld, en waarin hij zeide te hopen, dat ze hem dat verzuim vergeven zou. De woorden ״tot Donderdag dan" waren haar als een blijde belofte en daaronder las ze zijn naam en zijn staat: Rudolf Hannema, technoloog.
Roosje wist niet, wat een technoloog was. Het maakte een groot deel uit van haar gepeinzen, de heele week door, tot den verbeiden Donderdag toe.
En een groote verrassing wachtte haar op dien dag. Dat Rudolf — zóó was hij al in haar gedachten — onmiddellijk op haar was toegetreden, haar de hand had gereikt en haar genoodigd had te komen in de ruimte binnen de toonbank, daar haar met een beslistheid en een overwicht, dat Roosje verrukte en intimideerde tegelijk, voorstelde aan den verbluften dominee Wijmers, en aan den barschen bovenmeester en aan den apotheker met de bakkebaarden en haar deed plaats nemen op een stoel, terwijl hij zelf haar boeken uitzocht en inpakte. Daarna had hij haar uitgelaten door een zijdeur, een gang door en zoo langs een anderen dan den gewonen weg naar buiten toe en haar verzocht in 't vervolg door die deur binnen te komen.
'266