week zijn glimlach, het vriendelijk woord, dat iedereen zocht, en reikte bij voorkeur naar de dorre hand van dominee Wijmers om haar te helpen. Meer dan de algemeene stroefheid tevoren, beschaamde haar de algemeene vriendelijkheid van den nieuwgeko-mene.
Toen, op een dag, had hij toch haar taschje in handen gekregen en blijkbaar verrast door de keus van haar boeken, met de kaart in de hand en het stapeltje grijze deeltjes zich tot bovenmeester Jansen gewend en hem wat gevraagd. Voor ze, gloeiend-blozend, het hoofd omwenden kon, had hij haar blos, haar beschaamden blik al bemerkt, was opgestaan en naar haar toegekomen, 't Scheen wel, dat hij nu pas haar bewust opmerkte tusschen de anderen, zoo belangstellend kwam haar van z'n vroolijke oogen de blik tegemoet. En terwijl hij over de toonbank leunend met beide armen, haar glimlachend en stil-pratend iets vroeg omtrent de boeken, die ze had uitgekozen, merkte Roosje op, hoe mooi hij was, met z'n zonnige oogen, z'n blanke tanden en meisjes-zachte wangen. Toch voelde ze in zich iets verstroeven, ze wist zelf niet waarom, en onder 't spottend-verbaasd kijken van de anderen, die vóór en die achter de toonbank, maakte ze haar antwoorden kort en weerzinnig, voelde ze zich beschaamd, vernederd, boos «haast, en wist nog altijd niet waarom. Eensklaps scheen hij dat mee te voelen, hij lichtte bruusk, en nu zelf óók plotseling blozend, zijn armen van de toonbank op en reikte haar 't taschje, dat hij van tafel nam, met een kort woord. Tusschen de schamperende wachters door haastte ze zich, den blik neer, weg en naar huis toe.
Ze was thuis gekomen, nerveus, met een kroppend, boos-bedroefd gevoel in haar borst, en met het vaste voornemen nooit meer daarheen terug te gaan. Ze zou dan het eenige dat haar bleef, het eenige dat ze
'265