trotsche prikkelbaarheid, reactie op wat haar van vroegere jaren nog immer tegenstond en beschaamde.
Zoo was ze dan ook met weerzin en alleen om de vier kostelooze boeken iedere week, de eerste Donderdagen naar het lokaal getrokken, waar ze staan moest in de nauwe ruimte voor de toonbank: éénig meisje van haar leeftijd — tusschen werkjongens en mannen en schoolkinderen en een enkele huismoeder uit het volk, die een zakvol kwam ruilen voor haar gezin. Ze voelde iets van schaamte voor de vier heeren, die daar zaten in de wèlverlichte ruimte achter de toonbank, achter een lange, glanzende tafel, in het heldere licht van twee breede ijzeren lampen, bij kachel-warmte, tusschen muren van onder tot boven bezet met rijen grijsgekafte boeken. Er zaten behalve dominee Wijmers, bovenmeester Jansen, — zwaargebouwde, grofbottige kerel met opgezet gezicht en commandostem — Hermans, een jeugdig post-klerk, die zoo verwaten keek, alsof hij met daar te zitten, den geringen man een al te groote eer bewees, en oude apotheker Schoen met z'n waaiende bakkebaarden.
Ze zaten er zwijgend, leegden zwijgend de zakken, die hun werden toegereikt en waarop de nummer-kaart zat vastgenaaid, zochten wat voorradig was uit de rijen vandaan, doorstreepten die nummers met dik-blauw potlood en reikten zwijgend de zakken terug. Die geholpen was, mompelde z'n groet en schoof zich op z'n klompen, zak over den schouder, tusschen de anderen door, de deur uit.
Een enkele maal gebeurde het, dat Roosje werd opgeduwd, bespot, stilletjes — omdat ze niet goed durfden — gehoond met scheldwoorden van Jodin en smause-kind. Zóó makkelijk als ze het vroeger had laten voorbijgaan, zoo hevig kwelde het haar nu. Ze voelde zich sinds lang ruimschoots de gelijke van wie daar achter de toonbank zaten en meer dan ooit mis-
'263