haar soms of ze de eenige klant was van het oude bibliotheekje aan het achterafsche Palmgrachtje, want nooit zag ze er een ander, als ze haar boeken ruilen en haar dubbeltje betalen kwam en ze vroeg zich dan wel af, of de oude dametjes daar alleen van leefden.
Maar de dubbeltjes waren kostbaarder geworden, sinds Esthers verpleging iedere maand een handvol geld kostte en er telkens reiskosten en uitgaven voor snoep en extraatjes noodig waren.
Toen had Roosje het een poosje buiten boeken moeten stellen, buiten haar wandelingetje iedere week, naar 't oude, doodsche Palmgrachtje toe, waar je kwam uit de drukkere Schoolstraat, over een speelgoedachtig, hoog bruggetje, — waaronder rustig en groen van kroos het watertje lag — en waar je haast niemand ontmoette. Ze had het wel gemist, die zoo weinig gewend was, en ook het lijzig-vriendelijk praatje van de eene juffrouw Appel, de jongste, die meestal bediende en haar behandelde als prompte, getrouwe klant.
Toen was er, tegen den winter, door het Nut, een volksbibliotheek in het dorp gesticht. Roosje had ervan gelezen en was zich gaan aanmelden als vaste lezer. Ze had — in de lange rij van meerendeels mannen en jongens geduldig haar beurt wachtend — een kaart en een catalogus ontvangen, uit de handen van den modernen dominee Wijmers, die statig troonde achter een lange toonbank, waar zij vóór moesten blijven, en die geen blik of woord overbo-diglijk verschonk. Ook een blauw-katoenen boeken-zak had Roosje kunnen krijgen — dominee pakte er telkens één met deftigen handgreep van het stapeltje naast hem — maar daarvoor had ze bedankt met iets van zich hevig gekrenkt voelen. Ze voelde zich, den laatsten tijd, spoedig, al te spoedig, gekrenkt. Haar natuurlijke hoogmoed nam den vorm aan van
'262