kachel bijvullen, de stoelen netjes aan kant zetten en ging toen vader goeien dag zeggen, die ziek-lag, maar beterend was, in het alcoof. Een schoteltje met sinaasappelpartjes, een frisch glas water nam ze van 't kastje mee naar hem toe. Het was alweer winter; 't liep naar tweeën; in het alcoof, waar vader nu al veertien dagen lag — om de warmte, zij sliep nu boven — was 't duister en duf. Vader snurkte zacht, in 't donker van de bedstee verzonken en Roosje, dit merkend, deed heel zacht, om hem niet wakker te maken, zette stilletjes glas en schoteltje op den stoel, en sloot de deur achter zich, behoedzaam.
Terwijl ze haar mantel omdeed, haar hoed opzette, had ze een blij gevoel, omdat vader, die zoo ziek was geweest, dat ze 't ergste had gevreesd, nu weer beterend was. Maar daarom niet alléén. Ze ging uit, haar prettig uitgangetje, 't uitgangetje van ééns in de week, 't lichtpunt om naar te kijken en naar te verlangen, dat er iederen Donderdag was, ze ging naar de Volksbibliotheek om haar boeken terug te brengen en in te ruilen voor andere. Ze deed ze, vijf waren het er, in het bruin-leeren taschje, de kaart met nummers die haar keuze waren van den catalogus, erbij en trok haar handschoenen aan.
Vader liet ze nu slapend achter in het vreedzame huis onder Debora's hoede, en stapte de straat op, waar de huizen koel en licht lagen achter de geschoren boomen in al te zachte winterlucht. Ze las graag en veel den laatsten tijd, nu niet alleen meer reisbeschrijvingen, maar ook romans. Vroeger had ze die gehuurd, oude voor vijf centen, nieuwe voor een dubbeltje, uit de bibliotheek van de zusters Appel, twee bejaarde, deftige wijfjes, in zwarte japonnetjes, die er precies zoo onwezenlijk en ouder-wetsch uitzagen als de titelprentjes van de vergeelde boeken, waarvan ze als klein kind al, de lokkende en ijselijk-geheimzinnige namen had gekend, 't Leek
'261