spreken; hij had formeel beloofd, dat het kind niet besneden zou worden, hij durfde niet opnieuw beginnen. Hij, de toch gelukkige vader, voelde zich aanhoudend beklemd en angstig, iemand over wien een vreeselijke beslissing wordt genomen, die hij nog wel zou kunnen, maar niet mag of durft afwenden. Hij meende, Rebecca moest wel zien, hoezeer hij leed onder z'n afgedwongen toezegging en uit eigen beweging toegeven. Maar Rebecca had die dagen alleen oog voor haar zoon, rose en zwart-oogig in zijn gesmukte wieg, het veelvuldig kraambezoek, de bloemen en lekkernijen waarmee ze werd overladen. Jozef voelde zich meer en meer op den achtergrond.
Moe en flauw voelde zich Jozef den achtsten dag, die de besnijdingsdag zou zijn geweest. Hij was er beslist tegen, en hij had toch zoo gaarne in dit voor vader zoo groote, zoo gewichtige en voor hem toch maar ondergeschikte, om vaders wil toegegeven.
Het kind werd niet besneden.
Jozef zou zijn vader niet meer onder de oogen kunnen komen.
Den avond van !den achtsten dag, alleen voor het raam van z'n kabinetje, waar hij sliep sinds de bevalling, voelde hij een geweldige heimwee naar het dorp, het buurtje, het oude huis en naar zijn verkommerden vader.
XLIII
Roosje nam haastig de schaaltjes en het eene bord van haarzelf van tafel weg en bracht ze naar de keuken. Straks zou ze dat allemaal wel omwasschen! Ze pakte gauw 't opgevouwen tafelkleed van den stoel af, waar 't overheen lag en schoof 't over de tafel, voor het witte in de plaats. In een zelfde bedrijvigheid repte ze zich met gauw even-bijvegen, de
'260