Roosi'e had vader niet willen alleenlaten. En heimelijk was Jozef blij geweest, dat ze zijn logeer-aanbod afsloeg, want hij wist, Rebecca, lief en hartelijk in haar eigen gezin, kon nu eenmaal niet zetten, wat van Jozefs kant kwam.
Zoo was Jozefs eerste huwelijksjaar vol strubbeling en kleine tegenvallers. En daar kwam nu nog die besnijdingskwestie bij. Vader had er nooit over gesproken, hem nooit uitdrukkelijk meegedeeld wat hij van hem verlangde, 't Was ook niet noodig: Jozef wist, als hij zijn zoon onbesneden liet, dan was alles tusschen hem en vader uit en voorgoed, en hij zou niet meer in het oude huis behoeven terug te keeren.
Het bezorgde hem menig onrustig uur, menig driftig woord liet hij vallen tegenover de schreeuwers Pim en Max. Dan kwam hij er soms toe, het Jodendom te verdedigen tegen hun spotternijen en onwaardigheid; dan zaten Rebecca en de anderen hem spottend-verbaasd aan te kijken, vroegen hem of hij ״den vromen man" ging uithangen en raadden hem lachend aan den volgenden Joum-Kippoer stipt te vasten en te belijden.
Het eindigde als immer met toegeven, en toen bleef Jozef niets dan de wensch, dat het eerst-geboren kind een meisje mocht zijn.
Het was toch een jongen, een mooie, flinke jongen, met heldere oogen en fijne, zwarte krulletjes en Rebecca, na een zware bevalling, herstelde zich snel en kon zelf het kleintje voeden. Verheugde Moeder Kapper ging die eerste dagen alleen nog naar eigen huis om te slapen. Aan vader was een telegram gezonden, het kind heette Jacob, naar hem. Een kort briefje van Roosje kwam als antwoord. Geen woord stond daarin over de besnijdenis. Toch voelde Jozef in den gedrukten toon, in de weinige woorden, hoezeer de kwestie ook Roosje beangstte en bezighield.
Jozef had niet den moed, nog weer erover te
'259