vlijde voorzichtig in ieder meertje van blinkendgele olie den dikken witten draad. Op dat oogen-blik hoorde ze Esther angstig-onbestemd roepen uit het alcoof.
Ze liet de lamp en liep het duister-geworden alcoof binnen, een klemmenden angst drukkend vóór tegen haar hart. Esther zat rechtop en keek haar met verbijsterende blik tegemoet, den valen mond in angst vertrokken. Toen begon ze te spreken, rad en nerveus, voortdurend Fransch, dat Roosje niet verstond, 't Alcoof je stond vol met den zoeten reuk van haar kleeren.
״Wil je eten?" vroeg Roosje. Maar Esther schudde het hoofd, weerzinnig. En ze ging voort met Fransch spreken, tot ze op eenmaal zich scheen te bezinnen en Hollandsch sprak. Ze liet Roosje, die 't bevende deed, neerzitten voor haar bed, en begon haar te vragen naar dingen van jaren-geleden, alsof het de dingen van vandaag waren. Ze vroeg naar Lotte Koning en den blonden Hans en ze sprak aanhoudend over Hans, als over een jongen, dien ze intiem had gekend. Ze sprak over hem, vond Roosje, alsof ze met hem was getrouwd geweest. Voortdurend ratelde ze door, geen antwoord wachtend en juist als Roosje meende, den draad van haar redeneeringen eenigs-zins te vatten, dan ontzonk haar weer iedere steun, praatte Esther weer volslagen wartaal, Fransch en Hollandsch door elkaar, over menschen, landen en dingen, die Roosje niet kende. Het maakte haar benauwd en onrustig en de gedachte, dat deze opgejaagde, verbijsterde vrouw, die wel dertig leek, haar zuster was, liet haar geen seconde los, gaf haar een gevoel van nare onwezelijkheid als na een al te benauwden droom....
Op dat oogenblik trad Jozef binnen even daarna Daniël met dokter Koning. Roosje hoorde ze naar de kamer gaan en voegde zich bij hen.
'252