het nu uit zichzelf en het had haar heele verhouding tegenover buren en winkelklanten veranderd. Ze voelde nu zelf met voldoening de natuurlijke hoogheid, de reserve in haar houding, en meende daarmee het vroegere, het beschamende te kunnen kwijten.
In den namiddag was alles geredderd, waren de boodschappen achter den rug, stond het eten te vuur en zat Roosje bij het achterraam te verstellen. De regen was opgehouden, de ontlaste wolken gebroken, wel raasde nog de wind, doch de lucht leek fleuriger, minder grauw dan in den morgen. En naast haar, op het kleurig rood-en-zwarte midden-patroon van het nieuw-gekochte tafelkleed, stond de theeboel, die een schijn van gezelligheid gaf. Ze had juist juffrouw Debora haar eerste kopje in den winkel gebracht en was, spraakzamer dan gewoonlijk, een momentje blijven babbelen; ze voelde, terwijl ze weer zitten ging en het dampende kopje naast zich zette in 't raamkozijn, een bijna-behaaglijkheid.
Vader kwam nu thuis, ze hoorde hem in den winkel, van z'n praatje met den Rebbe. Het had Roosje verheugd, toen ze hem een uurtje geleden had zien uitgaan — en onmiddellijk wist: vader gaat naar den Rebbe toe — omdat die hervatting van z'n eenige bezoek, langen tijd verzuimd, op een verbeterende stemming wees, na de inzinking der laatste weken.
De Rebbe, wist Roosje, had het ook niet best. Hij werd oud en sukkelig. Hij had wel graag ontslag genomen, maar hij kon niet buiten z'n salarisje; van pensioen was geen sprake.
Langer dan dertig jaar had hij de ondankbare kille gediend, meer daarbuiten geacht dan in z'n eigen gemeente, altijd als ambtenaar beschouwd, als schraal-bezoldigd dienaar en nooit als geestelijke, als leeraar, gelijk dominee en pastoor, wier gelijke hij zich achtte en wier stand hij niet voeren kon.
244