schortebanden, alles van pure zenuwachtigheid, omdat ze dol was op babbelen en niet kon en niet durfde tegenover dien in zich zelf verzonken man en het bleeke meisje, en ze toch ook niet de kunst verstond, rustig haar mond te houden. ,
Was dat achter den rug, dan ging Roosje om-wasschen en soms er op uit om boodschappen voor het middagmaal.
Kalm liep ze dan 't buurtje af, naar de straat, waar haar winkel was, en zooals ze daar ging, met haar smal triest gezichtje, simpel gekleed, zag niemand van de geburen meer in haar 't jonge kind, dat zij toch was, 't kind dat voor enkele jaren 's zo-mersavonds nog joelde met de andere kinderen op straat en bij een orgel danste. Er was iets verbleekts aan haar.
Zij-zelf, zoovaak ze het zich herinnerde, het kinderspel van vroeger, voelde altijd een wrange schaamte als ze dacht aan wat ze toen van de andere kinderen had geslikt, aan spot en zijdelingschen hoon, alleen om maar met hen te mogen zijn, in de gezelligheid van erfje en schuurtje, en niet verstooten te hoeven staan hunkeren, buiten op straat. Ze voelde, eraan terugdenkend, pijnlijke bevreemding; hoe had zij dat kunnen wezen?
Ze wilde het vergeten, en ze kon niet, het was zoo geweest, zij had toen geen trots bezeten en geen eergevoel, en haar behoefte naar vriendelijkheid, al wist ze die schijn, de vrees der eenzaamheid, was sterker dan alles geweest. Ze had nog die behoefte, nog die vrees, maar ze wist zeker, dat ze er zich niet meer voor vernederen zou.
Er was een nieuw zelf-vertrouwen in haar gegroeid, zelf-achting ook, een gerijpt bewustzijn van te behooren tot hoogere orde dan de buurtkinders, een weten dat haar Esthers hooghartige redeneeringen van vroeger niet had kunnen aanpraten. Ze had
243