vader zat en het Chanoeka-licht brandde tegen den muur; toen met een heerlijk gevoel van verluchting, had ze vader hooren opstaan en naar boven gaan, naar z'n bed toe. Gauw was ze toen ook in slaap gezonken.
Nu was het grauwe morgen en vader zat er weer op z'n gewone plaats, zonder een woord, zooals hij er alle dagen zat na z'n ontbijt. In den winkel redderde juffrouw Debora en maakte grapjes met een klant.
En Roosje, poetsend en maar doorpoetsend, terwijl in haar groezel-bonte schorteschoot de platte lamp reeds blonk als goud, dacht met bekommering aan vader, hoe veel en vaak hij schreide tegenwoordig en niet getroost wilde wezen.
Ze richtte het hoofd op en keek door het bedropen raam naar buiten. Hoe troosteloos was het uitzicht daar. Wreed speelde de wind met een kromgegroei-den vlierboom op een erf aan de overzij, die als half-bezwijmd neerhing over de grijze sloot. Daarin kletste de regen neer, massa's groote koude droppen, ononderbroken. Hoe troosteloos lag de dag voor haar uit, zonder verheffing, zonder verwachting, als de dag van gisteren en de dag van morgen. Ze overdacht haar bezigheden tot den avond toe. Straks, als ze den chanoeka-wijzer had gevuld en de pitteii voorzien, moest ze bijvegen, stoffen, bedden-maken. Dan koffie zetten voor vader en voor juffrouw Debora; zijzelf mocht geen koffie hebben om haar onrustigen slaap. En daarna kwam juffrouw Debora binnen brood-eten en zaten ze alle drie om de tafel, kauwend zonder een woord, maar Debora geen oogenblik stil, haar grof en uitdagend gezicht, dat toch ook iets goedigs had, voortdurend bewegelijk, haar voeten ook, haar handen rusteloos van schoot op tafel, van haar bord naar haar broche, die dan doelloos verstekend en weer frutselend aan haar kapsel, haar
242