zonder Esther, nu Esther het gewild had, nu vader haar als dood beschouwde en als Esther-zelf erg verlangde, of bittere armoe leed, dan was ze immers toch wel gekomen, dan had ze toch wel geschreven of toenadering beproefd — nu konden ze toch met z'n beiden nog wel een beter leven hebben.
De schriele jaren waren voorbij, ze konden best bestaan. Hoe zou ze vader verzorgd, vertroeteld, met alles wat in haar macht lag, hem vergoed hebben, wat de andere kinderen hem hadden doen lijden, als hij toch maar wat meegaander was geweest! Ze had al zooveel moeten opgeven. Onderwijzeres had ze willen zijn, liefdezuster in een gesticht of wijkverpleegster, rondgaande bij alles wat leed en smachtte naar zorg, en dat allemaal was haar om vaders wil ontzegd. Aan trouwen, aan eigen kinderen durfde ze niet eens denken. Nu had ze niemand om voor te zorgen dan vader, en vader wilde niet verzorgd wezen, zooals zij het bedoelde.
Hij had zich verhard en hij verhardde zich meer en meer en alles in hem scheen verhard, óók zijn geloof, dat nu niets liefs en innigs meer had dan alleen nog in haar eigen herinneringen.
Het vitterig toezien op potten en pannen, op het ״kasjroeth" in de keuken, op de uren van de Sabbath op de voorschriften van dit en de voorschriften van dat, dat was nu alles, dat nog restte van het oude. O, in moeders tijd hadden ze óók moeten toezien — moeder lichtte nergens de hand mee! — op de strenge scheiding van vleeschspijs en melkspijs, op het dooven van vuur, op het wegruimen van zuurdeeg tegen Paschen, op het vasten, op spel en bezigheid als het Sabbath was.... maar dit alles, hetzelfde toch, scheen toen zooveel minder bezwaarlijk, het ging natuurlijk-weg en zonder dat iemand ooit moedwillig overtrad. En moeder telde vergissingen niet zwaar. Zij, Roosje, zou opstandig zijn geworden tegen vaders
238