kunnen vervallen en hun poovere duitjes behoeven.
Vader rookte nauwelijks meer, de laatste jaren, 't scheen hem te veel moeite, zich een pijp te stoppen. Ook aten ze weinig, beiden. En de feesten gingen voorbij, zonder de oude tierigheid van weelde en lekkernij. Ze voelden er geen behoefte aan. Roosje had graag het huisje netter willen houden, nieuw behang nemen, de meubels vervangen door betere. Het waren moeders oude meubels, ze waren nog bruikbaar, maar wat nieuws zou allicht nieuwe netheid en gezelligheid hebben gegeven. Ook had ze wel graag, zooals ze het overal zag, in een ledikant willen slapen, 't Leek haar frisscher en gezonder dan in een bedstee. Ze stelde zich voor, dat moeder zich bedroeven moest, zoo ze er van wist, over het verval van hun huis, over het oude, verkleurde behang, over de wrakkende meubels, het met de jaren beschadigde en onvolle-dig-geraakte eetgerei, moeder, die altijd ieder uitgeknepen, moeitevol bespaard sommetje had besteed aan wat linnengoed of aan een nieuw stuk in kast of keuken, omdat ze nooit slordigheid en armoe had gekend in haar vaders huis. Ze stelde zich ook voor, dat zij-zelf meer genoegen zou vinden in 't opknappen en nethouden van een beter geordend huis — haar eenig levensdoel en bezigheid nu toch — maar vader wilde er niet van hooren. Lijf- en beddegoed kocht ze op eigen hand; ze voelde zich dan resoluut, huismoederlijk en oud al, ondanks haar zeventien jaar. Maar haar vraag om nieuw behang, betere meubels, netter eetgerei beantwoordde vader met z'n gewoon snauwerig ״nèe", zóó gewoon, dat hij 't al scheen te willen zeggen, eer een vraag was uitgesproken, en Roosje wist dat er dan niets aan te verwrikken viel.
Vader scheen nog maar voor één ding te leven, voor zijn geloof alleen. Voor dat, wat hij zijn geloof noemde, het ritueel. Hij ging getrouw naar sjoel, sloeg geen dienst over, het ergste weer in midden-
234