tige, schatrijke patroon zelf was gekomen en vaders toestemming had verkregen.
Er was bij die gelegenheid óók over Daniël gesproken en ze was van vreugde bewogen geweest, omdat ze hoorde, dat hij rustig en wel leefde in Amsterdam, hard studeerde en wèlgezien was onder z'n vrienden. O, ze had het altijd wel geweten, Daniël had karakter, Daniël zou vooruitkomen. Wilde Vader nu maar goed worden met hem. Daniël wilde wel, ze was ervan overtuigd, o, wie weet hoe hij verlangde! Maar er was bij vader geen sprake van. Hij had den ouden heer aangekeken met zulke vreeselijke oogen, de oogen van z'n driftbuien, en hij had niets anders gezegd dan ״nooit," „nooit," zoodat mijnheer Spijer had gezwegen en z'n hoofd had geschud en haar had aangekeken met een vreemden, zachten blik en weer z'n hoofd had geschud en opgestaan was om heen te gaan. Roosje had zoo gehoopt, óók iets van Esther nog te hooren, want ze dacht aan haar veel den laatsten tijd, maar ze durfde niet vragen. En ook, wat zou Jozefs patroon van haar weten?
Zoo had ze dan haar witte jurk laten maken en was naar Amsterdam ter bruiloft gegaan, en was vandaar teruggekeerd met het droevige gevoel, dat ze nu al — en ze was pas zeventien, en welk een vroolijk kind was ze geweest! — dat ze nu al nergens meer paste, waar vreugde en vroolijkheid was. Ze schoof willig de schuld van haar onvoldanen, haast ontstemden terugkeer volmaakt op haar eigen onontvankelijkheid voor vreugde. Maar toch, wat hadden die menschen, die luidruchtige menschen, opgedirkt, hooggekapt, riekend van slechte odeur, met z'n tachtigen bijeen in een Jodenbuurtsch feestlokaal, wat hadden die haar tegengestaan! Ze was wèl veranderd, ze voelde het zelf. Ze was niet alleen stiller en treuriger door de omstandigheden, ze was ook van-binnen-uit anders geworden. Het kwam mis
231