geschaad door het feit, dat de jaren hem millionair hadden gemaakt, was zelf naar het dorp gegaan en had met Lehren gesproken.
Glimlachend en gemoedelijk had hij gepraat, hoewel hij het eerste moment doorschokt was geweest van ontzetting, zóó als hij dien tien jaar jongeren man terugzag, oud en verkommerd, met bevende handen, de oogen schuw, schichtig-wantrouwig, de wangen slap en ingevallen. En de vader was geëindigd met de toestemming te geven, met te beloven, dat hij Jozef en Rebecca zou ontvangen en dat hij Roosje ter bruiloft zou zenden.
De bruiloft was gevierd in het laatst van den herfst, en Roosje, ietwat opgemonterd in het vooruitzicht, had zich een witte jurk ervoor laten maken. Ze hadden nu aan geld geen krimp, met zóó weinigen ze waren en zoo gering hun dagelijksche behoeften waren geworden.
Ze was ook blij, dat Jozef trouwen ging, voor hem en voor Rebecca. Hij had haar meer dan eens gevraagd in de verloopen jaren, voor hem te willen spreken bij Vader, maar ze had niet gedurfd. Ze leefde naast den ouden man stil en weinig spraakzaam, er gingen wel dagen voorbij dat hij haar niet opmerkte, en alleen als hem iets niet naar den zin was, gaf hij werkelijk teeken van leven; dan bulderde hij als vroeger, wanneer hij z'n driftbuien had. Maar nu verliep zoo een vlaag in een redeloos en zinloos gebrom en gemopper voor zich uit, waarbij soms tranen kwamen en z'n gezicht zich wezenloos verstarde of zich vertrok als in smartelijke herinnering. Roosje vond dat schrikkelijk om aan te zien, ze barstte dan zelf in snikken uit en repte zich weg naar den winkel, om vader niet verder te verstoren.
Zoo had ze dan ook nooit voor Jozef durven spreken.
Maar innig verheugd had het haar, dat Jozefs def-
230