hun spotten met heilige zaken. Dat kwam niet te pas. Je deed er aan, of je deed er niet aan; spotten was gemeen. Rebecca leerde het van Bets en Saar, en die namen het over van Pim en van Max, de mispunten van hun kruin tot hun teenen, leelijk en dom en vol praats, met hun hakken altijd op zijn familie!
Ach, was vader toch maar niet zoo onredelijk! Kon hij toch maar 's thuiskomen, zonder voortdurend te worden geknauwd met verwijten omdat hij ״vrij" was geworden. Hij kon nu eenmaal niet huichelen, zooals Bram Hirsch, wiens vader Rabbijn was, die thuis het vrome joggie uithing en achter z'n vaders rug deed wat hij verkoos en 't hardst van allemaal spotte. Moest vader dan alles ook zoo hoog opnemen? Een sigaar op Sjabbes, een glas bier op je vrijen Vrijdagavond, wat stak er eigenlijk in? Als daarmee je Jood-zijn stond of viel, nou.... Maar met zulke beweringen hoefde je bij vader niet aan te komen.
Nu zou hij moeten doorzetten, moeten spreken met vader, hem z'n nieuws melden en met z'n plannen op de hoogte brengen.
En dan ook maar meteen; vanavond zou hij naar Rebecca, morgenavond naar huis gaan.
XXXIX
In het najaar, kort voor het Chanoeka-feest, hadden Jozef en Rebecca bruiloft gevierd. Het had heel wat moeite gekost, den ouden vader z'n onredelijk verzet uit het hoofd te praten. Jozef, die, schuw en gedrukt zoodra hij thuis was, den rechten toon niet meer vatte, zich schuldig voelde, zich uitputte in verontschuldiging en zich dadelijk overbrommen liet, Jozef was, ten einde raad en op Rebecca's aandringen, met z'n patroon gaan praten. En de deftige oude heer Spijer, wiens gemoedelijke beminnelijkheid niet was
229