zelig wit buis, een vuil voorschoot voor de beenen, dat hem belemmerde in het gaan, z'n lichaam scheef-geheld onder 't gewicht van een bemorsten witten pot met haringen, die aan z'n linkerarm hing. En een hooge goederenkar met twee paarden ervoor, en een waarschuwend-schreeuwende voerman hoog erop, baande zich langzaam weg door den morsigen roezemoes.
't Liep naar twaalf uren. Nog even, en de bel zou klingelen voor het broodmaal. Ze aten dat allemaal tezamen, de meer dan honderd winkel- en magazijnbedienden, aan lange tafels in een lage onderhuiskamer onder-achter den winkel, aan den achterkant van het smal-hooge, grijze gebouw, dat ״het Schaap" heette. Een oude grauw-verweerde gevelsteen boven de winkeldeur toonde een wollig schaap met vervaarlijke horens en woesten kop. Daar, in die onder-grondsche kamer was het altijd schemerig-koel, twee juffrouwen schonken er koffie en ieder had er van groote stapels de vetgesmeerde boterhammen voor 't grijpen.
Jozef verlangde naar dat uurtje als naar een prettig breken van den saaien, heeten dag.
Aan den overkant in den winkel van worst en pekelvleesch, begon alweer het dagelijksch geloop om belegde broodjes. Kantoorjongens, bleek en slordig in de kleeren, lieden uit winkels en achter karren vandaan, schoten in een drafje de open deur binnen om een broodje met pekelvleesch, dat ze los meenamen in de hand, of tegen den muur geleund binnenslokten met een groot glas heete thee, zonder melk en zonder suiker. Jozef zag door het met vettige kartonnetjes behangen winkelraam heen, de twee korte, dikke meisjes, roodwangig, bol-gekapt, bonte voorspelders over de bollende boezems de lange, smalle messen hanteeren, waarmee ze glad en snel de vette plakken sneden van groote hompen pekelvleesch af. Broodjes
225