kerfden ze open met een enkele handige mes-beweging, duwden en stopten een vette lap tusschen de beide droge helften en gaven ze een wachtenden klant in de uitgestoken hand, terwijl uit de andere het klaargehouden geld ontvangend. Kauwend baande zich de klant weg tusschen de wachtenden door de straat op. Nu stond de winkel propvol, de meisjes sneden en overreikten en borgen het geld, en tapten de heete thee uit een kraankan in den hoek, en wischten zich bijwijlen het zweetende voorhoofd met hare bonte schorten. Jozef kreeg trek van het kijken naar de sappige en vette vleeschplakken, hij geeuwde en keerde zich af van het raam.
Even drentelde hij op en neer, ietwat lusteloos en bevangen van hitte; z'n hand streek in het gaan langs de gladde, bruine toonbank, z'n oogen overgleden de stapels stof bruin, blauw, grijs, van vloer tot zoldering in nette regelmaat opgetast. Dan ineens klonk de bel, luid en jolig, alsof die hem bewoog het voor z'n genoegen deed, en onmiddellijk begon het van bovenaf, van de witte-afdeeling en van nog hooger, waar de lakens en vloerkleeden werden verkocht, te stormen op de trappen van ongeduldige voeten, werd er gelach en geroep hoorbaar. De bel luidde door en de lift zweeg. Haastig liep Jozef de deur uit en de smalle, steile trap af, snel naar beneden.
Een jongen van 't kantoor, een bleek, klierig Joodje, hield hem halfweg tegen met een gewichtig gezicht en vertelde hem, dat hij dadelijk bij den patroon moest komen, bij den ouden heer zelf.
Hij struikelde meer dan hij liep de laatste trappen af, wipte gauw naar de waschplaats, waar een klein spiegeltje hing, waschte z'n handen, deed z'n boord en z'n haar terecht. Een lang duf kantoor moest hij door, waar een tiental zwartharige, slonzig-fatterige jongens zaten, met brillen of lorgnetjes op: het kantoorpersoneel, dat thuis koffie dronk en om half één
226