renvrouw van den Zaankant vandaan, die eens in de week kwam op een vastendag en een vast uur — en lusteloos om de smorende hitte had hij zelfs geen gijntjes getapt met David Kapper. Nu stond hij voor het smalle raam en keek naar beneden, de straat in. Terwijl beluisterde hij gedachteloos de bekende geluiden, die hij alle dagen weer aanhoorde, jaren lang, sinds hij op het magazijn was. Boven zich, op de witte afdeeling, waar 't altijd wat drukker liep, zelfs in den slappen tijd, hoorde hij voetstappen, dof en snel, van toonbank naar muur, van muur naar toonbank, het aanschuiven van een kruk voor een klant, het hortend gieren van ladderpooten over den planken vloer. Daar, en bij hem, en op de andere afdee-lingen — die van zijde en van fantasie-stoffen en van vloerkleeden en van confectie — werd alleen in het groot verkocht aan weer-verkoopers, maar beneden, in den winkel, ging veel om in 't klein, en vandaar hoorde hij aanhoudend geloop en geschuifel, lachen en stemmengeroes, het tinken van de cassa-bel, het ophalen en toeduwen van laden en schuif-kasten. Nu en dan snorde de lift, een stijgend en verstervend zoemend geluid, naar boven toe, naar beneden af. Jozef hoorde dit alles zonder opmerken, hij zou het pas hebben opgemerkt, als het plotseling was gestaakt.
De geluiden uit de straat tusschen de hooge huizen smal en muf en het bewegend leven daar, minder gekend, afwisselender naar uur en dag, hadden z'n bewuster aandacht. Hij keek naar twee zweetende aardbeiverkoopers, die met moeizaam duwen hun knoersende karren voortwentelden over het grauwe asfalt, en hij hoorde den rauwen roep uit hun versleten kelen, concurreerend-nijdig tegen elkaar in. De een riep eerst van zes en daarop den ander van vijf-en-een-halve cent en eindelijk riepen ze allebei van vijf. Achter hen aan sjouwde een jongen in een groe
224