ze zag het schemerige winkeltje, met de stapels doo-zen tegen den wand, de mansbroeken aan de zoldering, het bruine trapje tegen het beschot, ze zag het kamertje erachter, met de oude, bruine meubels, het vergulde ״mizrach" het blinkend chanoeka-ijzer aan den muur, ze zag het erfje en de sloot en de nette, kleine huizen van de overbuurt, waarin te wonen, haar als jong kind het toppunt van weelde en geluk had geschenen. Ze dacht aan vader; ze wist niet, wat er van hem was geworden; ze dacht aan gestorven moeder, aan Jozef, aan Daniël, aan Roosje. Heel haar innerlijk leven was van hen vervreemd; ze dacht aan hen als aan vrienden, waarmee ze jaren geleden vredig en stil had geleefd, en die ze wel graag weer eens had willen ontmoeten. En met bitterheid bedacht ze ook, dat ze nu minder was aangezien dan één van hen, ondanks haar mooie kleeren, haar weelde en haar schoonheid.
Toen zag ze Hein opstaan, om te vertrekken. Ze durfde niet meer naar hem toegaan, vragen en vertellen; ze zei haar weinige woorden en liet hem gaan.
Dagen daarna liet haar een stille, diepe wanhoop niet los, de wanhoop om het juiste besef der eigen levens-werkelijkheid, de wanhoop omdat ze niets meer te verlangen, niets meer te verwachten had en niets meer te hopen, niet meer terug kon en niet meer verder.
XXXVIII
Het was een brandend-heete dag in het midden van den zomer. Dit was van het heele jaar de slapste verkooptijd en Jozef had niets te doen. Den heelen morgen had hij rondgebungeld op z'n „afdeeling" — die van de serges en de bukskins — de enkele klanten geholpen — één winkeliertje uit de buurt en een boe
223