droegen. Ze hadden er kamers aan de zeezijde. Van Gulik zou daar, den eersten tijd althans, een rustkuur doormaken.
Ze mocht eiken morgen alleen een wandeling maken en na het dejeuner, dat ze samen namen op hun kamer, wéér; maar 's avonds moest ze bij hem blijven, op de veranda, om wat te praten of voor te lezen, naar dat hij verlangde. Ze deed dit met goeden wil, nu ze zooveel vrijheid had, zooveel genieten mocht en nog altijd verschoond bleef van de hatelijkheid der liefkoozingen. Ook was het heerlijk, het kalme zitten op de veranda in de welriekende, zachte lucht, terwijl het murmelen van de zee, het zoetjesmompelen van stemmen beneden uit den tuin, soms zacht lachen, de eenige geluiden waren. Ze hoefde niet veel te zeggen, en het voorlezen vermoeide den ouden man; gauw dutte hij weer in. Hij was ook al tevreden als ze bij hem was, hij voelde jegens haar wel een zekere verteedering en een vaag berouw ook, omdat hij dit kind aan zichzelf opofferde, terwille van zijn eigen lust aan haar kring had onttrokken en daarmee haar leven verknoeid; toch kon hij haar niet missen, hij zou haar niet hebben willen laten gaan en meende, nu alles er toe lag, dat hij haar den besten dienst bewees, met haar bij zich te houden.
Esther daarentegen dacht in die zoele, bedwelmende lucht meer dan ooit en met intenser genot aan de begeerde jongens. Rillingen joegen er door haar heen, ze genoot in haar uitputtende verbeeldingen. Ze geloofde, dat de tijd dichtbij was, dat ze in werkelijkheid zou bezitten, wat ze langen tijd vergeefs had begeerd.
Al eenige ochtenden achtereen had ze op haar wandelingen — altijd maar weer langs dien breeden zee-boulevard, temidden van toiletten-weelde en ju-weelen-pronk, waarbij het te Parijs geziene niets be
217