het gelukte niet, en bij poozen liet ze zich uit de couchette glijden en ging bibberend -bloot naar 't raampje en schoof 't gordijn opzij en keek den nacht in. Ze zag de zwak verlichte stationnetjes, bliksemsnel voorbij geschoten, zwarte riviertjes, onstuimig van windstuw, flauw beschenen door een bleeke maan; ze zag dichtbij en verderop lichten blinken, in massa bijeen, steden en dorpen, onbekend, in een duizel voorbijgedonderd en die ze nooit betreden zou, ze zag de breede, onstuimige Rhöne, spokig blinkend tusschen een dubbelrij van lantaarns; en de plotselinge drukte, de bewegelijkheid op het verlichte Lyon-sche station, leek haar angstig, onwezenlijk in den diepen nacht.
Toen was het daar, in Nizza, ineens de zachte, kalme lente, de bloemengeur overal, de weelde van paleisachtige huizen van statige hotels temidden van blinkend palmengroen, die haar beduusde en bedwelmde. En alweer het vreemde, het verbijsterende, van zich niet te kunnen voorstellen, dat zij-zelf dit nu weer was, die daar in den nacht door het donkere, slapende land was komen stoomen naar deze wonderlijk-bloeiende wereld toe. Ze had niet geslapen, nog donderde haar het treinrumoer in de ooren, maar deze lucht genas haar van alles, van vermoeienis en van koude, van angst en van beklemming.
Ze trokken in een hotel aan den breeden zeeboulevard, geplaveid voor salonschoenen, met keurige banken en welonderhouden palmen. Ze reden er rechtstreeks heen en uit het rijtuig zag Esther de ombochtende kust, bespoeld van een wonderlijke zee, diep-blauw-groen, niet minder mooi en fantastisch dan ze het op de prentjes had gezien, waarlangs blinkend-witte huizen oprezen. Ze rilde van genot en van voorgevoeld geluk. In dit sprookjesland, deze streek-van-weelde zou zij wonen. Het hotel stond in een tuin, waar oranjeboomen bloeiden en vrucht-
216