ver weg, als in droom, straks, over enkele uren, zou het de volle werkelijkheid wezen.
De auto snorde voort over 't nat-blinkende asfalt; naast haar zuchtte Van Gulik en richtte zich overeind moeilijk. Het licht, het bleeke lantaarnlicht, viel van buitenaf binnen door de beregende glasruit en bescheen z'n vervallen gezicht.
Esther voelde nu toch wel medelijden. De laatste week had ze het, door zijn ziek-zijn, heerlijk rustig gehad, volmaakt gelukkig met haar prentjes, haar verbeeldingen en de doozen bonbons, die ze zich halen liet. Terwijl ze fondants knabbelde en genoot van haar pralines-met-crême, dacht ze aan mooie jongens, aan hun kussen, hun omarmingen. Van Gulik was nog heel zwak en ze bedacht met voldoening wat dat voor haar beteekende. Het stemde haar zachter, met óók weer dankbaarheid; alles wat ze bezat, het heerlijke, nieuwe, dat ze tegemoet ging, ze had het toch maar allemaal van hem. En ze zei iets vriendelijks van prettig-vinden dat hij nu weer beter was en dat ze naar de Riviera konden gaan.
Gauw bereikten ze het station.
Ze kwamen te Nizza aan, den volgenden dag in den voormiddag.
Esther had weinig geslapen, ze deed dat gewoonlijk niet, en het duizel-snel trekken in den nacht, dwars door het slapende, vreemde Frankrijk, voortdurend maar verder van het Noorden af, van het dorp en het huis verder weg, van Parijs, waarmee ze nu al was vertrouwd geraakt, — dat beklemde haar en hield haar uit de rust.
Stil liggend in haar smalle couchette beluisterde ze het zachte, vage windgeruisch, dat van over de vlakke landen kwam, het grelle schuren van de wielen over de rails, waar de weg bochtte, het dof gerommel van bruggen, telkens even en dan weer uit. Voortdurend probeerde ze den slaap te vatten, maar
215