de auto, die glinsterend bespat waren door den regen. Ze zat rechtop en gloeide van verlangen. Van Gulik, naast haar, leunde achteruit, moe, de oogen toe. Hij had pas een hevige bronchitis doorgemaakt en ze gingen gauwer dan hun voornemen was geweest naar het Zuiden voor zijn herstel. Ze hadden saaie dagen achter den rug; Ësther had den ouden man verpleegd, achteloos weg, plichtmatig, flirtend met den jongen dokter, die hem tweemaal daags bezocht en door wien ze zich den vorigen dag, toen ze hem uitliet voor het laatst op den mond had laten kussen. Het was de eerste maal geweest en ze droomde nu van nog meer kussen van nog meer aardige jonge mannen.
Omdat ze alles had beleefd, omdat haar op de brutaalste en meest cynische wijze al de heimelijkheden van het leven waren veropenbaard, omdat ze niets wist van de zoete teederheid en alles van de wreede, rauwe zinnelijkheid, daarom durfde ze nu ook in haar verbeeldingen alles aan: er was geen kuischheid in haar en geen bewuste onkuischheid óók; zooals zij dacht en voelde leek het haar de natuurlijke wijze; ze leefde in haar verbeeldingen zonder eenige innerlijke schaamte, zonder schroom, omdat schaamte en schroom in haar waren ten doode toe verschroeid geworden nog voor ze goed en wel waren ontkiemd.
Ze verlangde nu hevig naar het land, dat ze tege-moetgingen; ze had de laatste dagen aan Van Gulik's ziekbed uren verbracht met beschrijvingen en prenten. Zachte lente zouden ze er vinden, plotseling, als door betoovering, terwijl het overal huiverkille winter was; bloemen zouden ze er zien bloeien, geurende rozen en fijne violetten, aan de diep-blauwe-groene zee wist ze blinkend-blanke villahuizen te staan, temidden van hei-groene palmentuinen en riekende rozenhagen; nu was dat alles nog prentverbeelding, nog
214