heugenis, dat ze op eenmaal een andere was geworden, door hem, voor hem, een vrouw, van vrijer, leniger geest, rijp en overmoedig. Hij, gevleid, liet zich tyranniseeren vaag-ongerust toch, om de lichtjes achter in haar oogen, en omdat ze al te mooi werd, al te overmoedig, al te zelfbewust. Hij bespeurde het in de wijze, waarop ze bewonderende blikken opving, brutale glimlachjes beantwoordde, in haar wijze van ergens binnenkomen, rondzien, lachen en spreken.
Ze bruskeerde hem echter geen enkele maal, speelde voortdurend een bewust, voorzichtig spel met hem, dat den ouden man aantrok en verontrustte tegelijk. Want met de nieuwe toekomst-verwachting was er tegelijkertijd iets anders in haar opgestaan: vrees hem te ontstemmen, of te vervelen, vrees dat hij genoeg zou krijgen van haar en haar terugzenden naar haar vader of haar alleen laten.
Plotseling had ze het bewustzijn gekregen van het onvaste en onveilige van haar toestand, begreep ze, dat alleen zoolang ze bij hèm bleef, de kans op den mooien, den rijken, den heerlijken jongen van haar droomen en verbeeldingen zou blijven bestaan. Meer dan ooit huiverde ze voor den terugkeer naar het vale, vunze, donkere, dat ze achter zich gelaten had en hoewel ze nu zonder weerzin kon denken aan den kus van den knappen Jodenjongen in haar vaders winkel, het denkbeeld van te moeten trouwen met dien jongen en te wonen in een kamer achter een slachterij, deed haar rillen van afgrijzen.
XXXVI
In den winter vertrokken ze naar de Riviera. Een kille, regenachtige avond was het, toen ze heengingen uit Parijs, het grauwe asfalt glibberde, triest brandden de lantaarns. Esther zag het door de glasruiten van
213