en snuisterijen in de winkels bekeken, en vroeg en rustig naar bed mocht gaan.
Ze dacht er nooit over, Van Gulik aan z'n belofte van haar te trouwen te herinneren, ze was maar veel te blij, dat hij er met haar niet over sprak. En Van Gulik, die Esther allerminst kende, niets van haar innerlijk leven begreep of te begrijpen zocht, haar voor sluwer hield dan ze werkelijk was en geen oogenblik vermoedde, dat het kind, ondanks haar ziekelijke zucht naar rijk-zijn en géén-Jodin-zijn eigenlijk toch nog een kind was, — Van Gulik verheugde zich heimelijk, dat Esther niets vroeg, en dacht er niet aan, uit zichzelf erover te spreken. Hij was heelemaal niet afkeerig van een huwelijk en vond ook wel, dat hij dat aan haar verplicht was; maar later — overwoog hij cynisch — later liever dan nu. Naumann had hem zoo geraden — als de vader veel bereddering maakte, dan dadelijk. Of hij zou willen, de oude Jood! — maar anders wachten.... wachten. Zoolang ze niet getrouwd waren, pasten ze wel op, dat ze je niet beduvelden, dan wisten ze wat ze riskeerden; waren ze eenmaal mevrouw, dan kon je nog genoeg verdriet beleven.
De allereerste dagen alleen was hij beangst geweest, dat de oude Lehren hem zou laten opsporen en vatten, zóó beangst, dat hij, temidden van zijn dolle vreugde om het bezit van het fel-begeerde kind, bij momenten zijn krankzinnigen overmoed vervloekte. Dan dacht hij zich voor een rechtbank, beschuldigd van ontvoering, veroordeeld, op z'n ouden dag de gevangenis in. Dan vervloekte hij Elsa Naumann, die z'n verliefdheid op Esther in de hand gewerkt, aangewakkerd had, en haatte hij het kind, terwijl hij haar kuste.
Hij had geschreven en Esther laten schrijven, — dat ze vrijwillig was met hem gegaan en niet meer terugwilde — op den dag van hun vertrek uit Lon
207