het eens-en-voor-goed niet meer zijn, als ze maar eenmaal met Van Gulik was getrouwd. Er was veel in haar gebeurd het laatste jaar, gesprekken met Elsa Naumann hadden haar wijs gemaakt, hadden haar geleerd, dat ze misschien niet de mooie, blonde kinderen krijgen zou, waarnaar ze zoo verlangde, kinderen om fraaie romannamen te geven en te kleeden als poppen in zij en kant, en te laten opvoeden door een Fransche gouvernante. Maar misschien ook wel, later. Ze verlangde er eigenlijk niet eens meer naar, er kwam iets sufs en gedrukts van verbijstering in haar, ze kon nergens meer naar verlangen.
Het dorp, het buurtje, de school, het huis, vader in den winkel, zijzelf en de anderen in de kamer erachter de Vrijdagavonden bij lamplicht, de feesten, in voorjaar en herfst, de trage sloot, blauwig-witte sneeuw op 't erfje achter en de vogels, die er kruimpjes uit pikten, op een stillen winterdag de klaaglijke grom van een uit de verre haven vertrekkende boot, soms tegen schemer gehoord, als de wind woei uit het Noord-Westen, de kinderen van het buurtje, Tonia, Lijsje.... hun schamele jurkjes, hun morsige tuintjes en vervallen erfjes, het leek haar somwijlen of dit alles bestond en nooit bestaan had, of ze van dat allemaal maar eens had gelezen in een saai, klam boek en er daarna van gedroomd. Of, als het wel bestond, dan bestond dat van nu niet, dan was ze nu gek of ze droomde. Het was de voortdurende gedachte aan de tegenstelling tusschen het voorbije en het nu, het voortdurend zich afvragen of dat wel allebei met haar-alleen kon zijn geschied, dat haar hersens afmartelde.
Een enkele maal was ze rustig, genoot ze zonder bij-gedachte. Als Van Gulik zijn kalme buien had en hartelijk voor haar was zonder meer, als ze prettig met hem had zitten eten in een restaurant en daarna had gewandeld en de mooie japonnen en juweelen
206