al te schitterend, onwezenlijk van rijkdom en van pracht. Zóó had ze het zich niet gedacht bij de prenten en de verhalen van Mevrouw Naumann. Te veel opeens kreeg ze, zoo dat ze het niet verzwelgen kon. Een roezemoes in haar ooren, doffe pijn overal in haar hoofd, aanhoudend, versuffend, hielden haar uit den slaap; ze werd bleek, strak van trekken, de oogen nerveus en schichtig en ze zag er wel uit of ze twintig was; een tenger meisje van twintig leek ze. En iedermaal als ze met zichzelf alleen was, had ze den drang van uit-zichzelf-treden en zelf-beschouwen, die een behoefte werd, sterk en knagend als een obsessie. Een voortdurende ondervraging van: ben-ik-het-wel, die dit alles geniet, bezit, denk, onderga, ben ik het, die hier leef in Parijs, in Parijs.... in Parijs.... keeren aaneen herprevelde ze den naam.... in een vreemde stad met een vreemden ouden man, die mijn grootvader wel kon zijn en die met mij doet alsof ik speelgoed was? Daarbij achter haar voorhoofd een gevoel van spanning, pijnlijk en strak, alsof daar ieder moment wat stukknappen kon.
Dan dacht ze ook wel aan het dorp, het buurtje, den winkel, het huis, zonder verlangst terug, want toch nog, in al haar beklemming, vreezend de duffe armoe, daar, het saaie sloofwerk verafschuwend, en de achteruitzetting omdat ze een Jodin was, verfoeiend.
Dat gevoel, sinds haar jonge jeugd aangekweekt en voortdurend gevoed, en gegroeid tot een zieke-lijken waan, die haar de menschen verwrongen deed zien en al hun uitingen verkeerd begrijpen, dat gevoel leefde nog in haar, onverminderd, met de zucht haar Jodin-zijn te verbergen, fel en hardnekkig, alsof ze een schande verstak. En de triomf, dat dit ergste tenminste was geleden, hield haar goeddeels erboven
Ze was nu eigenlijk al geen Jodin meer en ze zou
205