weelde was bestemd en geboren — had Esther zich na de eerste maanden, ingeleefd in den nieuwen toestand.
Die enkele maanden, dat ze met Van Gulik eerst in Londen, daarna in Parijs had doorgebracht, waren de moeilijkste geweest. Al de weelde, die haar de oude man genieten deed, het verfijnde leven in dure hotels, de kostbare kleeren, de schitterende versierselen, het uit rijden gaan in zachtzoemende auto of in onhoorbaar op gummi-wielen rollend rijtuig, het taartjes snoepen in spiegel-blinkende salons, tusschen welriekende, zijde-ruischende dames en onberispelijke heeren, het bezoeken van theaters, schitterend van kronenlicht en van bejuweelde vrouwen, — dit alles dat haar bedwelmde, beduusde, verbijsterde haast, het kon niet opwegen tegen de afgrijselijkheid van het alleen-zijn met den ouden man. Van de weelde genoot ze fel, intens, met haar heelen wil zóóveel mogelijk genietend van alles, zoodat haar zenuwen in voortdurende spanning waren en ze dikwijls slapen noch eten kon; maar het andere, het afgrijselijke, van kussen en intieme liefkoozing, de enkele nabijheid van den verliefden man, die haar dwong hem bij den naam te noemen en zoete woordjes te zeggen en onder wiens blik ze beefde van vrees en van afschuw, deden haar soms verlangen naar het eerst bevend-gevreesde spook: den politieagent met straffen arm en dreigenden blik, die haar zou meenemen terug naar vader toe, en vader, die haar zou laten trouwen met Moos Meyer, of haar doodslaan, als ze niet trouwen wou met Moos. Bij momenten leek haar alles verkieslijker dan wat Van Gulik haar lijden deed.
Eens had ze willen wegloopen, toen haar alles te zwaar werd, de weelde ook. Want somwijlen was het haar, dien eersten tijd, of ze gek zou worden van dat verbijsterend leven-als-in-droom; een angstig, klemmend gevoel omving haar, omdat het al te mooi was,
204