voelde gauw genoeg het dolzinnige van dat machte-looze plan. Wat zou hij ook met haar hebben moeten beginnen?
Toch schokte het hem diep. Hij was nog heel jong geweest, toen Esther verdween, en had daarvan maar een heel vage herinnering. Later, waren hem allerlei toestanden bekend geworden, allerlei verhoudingen veropenbaard, maar hij had nooit aan verband gedacht tusschen dit alles en zijn zuster. Onbewust was hij zich haar blijven voorstellen, getrouwd — ergens in 't buitenland — met een minderwaardigen ouden man, en zij-zelf een lichtzinnige, hartelooze zuster, doch voor zich zelf veilig en welverzorgd naar den aard van haar e'ischen.
Dien winter liet hem de gedachte aan Esther niet los. Hij was nooit in Parijs geweest, had van die wereld-stad een vage, confuse voorstelling uit boeken en verhalen van anderen, zonder het verlangen naar eigen aanschouwing. Het denkbeeld, dat z'n zuster, het kind van vroeger, het kind uit het schamele, oude huisje, daar leefde midden in dien blinkenden roezemoes, beklemde en benauwde hem als een tastbare ongerijmdheid, die hij toch als werkelijkheid te aanvaarden had. Met zijn rust, zijn schijnbare zielsrust, was het allang weer gedaan, hij was weer volslagen z'n evenwicht kwijt, hij miste smartelijk dat, wat hem was ontvallen, zonder er evenwel naar terug-te-verlangen. Bij momenten leek hem alles onbelangrijk, het heele leven een ijdele komedie, alle verdere werk nutteloos en dwaas. Meer en meer versomberde hij.
XXXIV
Met een mate van aanpassings-vermogen, waarover zij-zelf verbaasd stond — met 'n triomfantelijk gevoel óók, omdat nu toch maar bleek, dat ze voor
203