niet den minsten lust. Hein had nog wat aangedrongen, toen was hij alleen gegaan.
Maar na een paar dagen was hij teruggekomen, onthutst en schuw tegen Daan. En toen de jongen, weer geheel weg in zichzelf, hem niet ondervroeg, had hij-zelf het verteld. In Parijs had hij Esther ontmoet, in een boulevard-café. Ze had daar gezeten met een stuk of wat heeren en nog een paar dames, in opzichtige kleeding en luidruchtig lachend en pratend. Hij had willen weggaan, toen hij haar had herkend bij het binnenkomen, maar zij had hem óók herkend, onmiddellijk, en was op hem afgekomen en had hem aangesproken. Ze had hem buitengewoon nerveus geschenen, bleek, smal van trekken, met rustelooze handen, maar mooi, in het oogvallend mooi zelfs daar, met haar groote glansoogen. Ze had naar niemand, naar niets gevraagd, alleen hem, Hein, of hij haar nu wel kennen wou, nu ze een rijke dame was en geen arm Jodenkind meer, in schunnige kleeren. Even had ze bij hem gezeten, jachtig rusteloos, op de punt van een stoel, gereed om op te springen en weer weg te loopen, en in de gauwigheid had ze hem verteld, dat ze al jaren niet meer was met Van Gulik, dat ze hem indertijd, in Monte Carlo had laten schieten voor een Italiaanschen graaf. Hij had haar tè veel tegengestaan, de oude heer. En sinds leidde ze het gewone leven van zoovele vrouwen. Ze had hem geen tijd gelaten, wat te antwoorden, wat te zeggen, paf moest hij hebben gezeten en haar verbluft hebben aangekeken. Toen was ze schaterlachend opgesprongen, weggetript, weer naar de anderen terug. Maar toen hij even later, bij 't heengaan, langs hun tafeltje ging, had ze hem naar zich toe gewenkt en gezegd ״groet ze allemaal, als je ze ziet." Hij was er ellendig van.
Daniël had even erover gedacht, naar Parijs te gaan, haar op te sporen, terug te halen; maar hij
202