voor hem voelde; dat hij al die jaren enkel en alleen op zichzelf was bedacht geweest. Nu was het te laat. Nu leefde ze een liefdeloos leven met vader, die haar bedilde en bemopperde en niet dacht aan het vergelden van al haar toewijding.
Met Hein praatte hij ook wel over Esther, die z'n vriend zich vaag herinnerde van vroeger. Maar Daniël vermeed het over Loesje te spreken. Ze was verloofd en zou gauw trouwen. En altijd als hij aan haar dacht, stak hem de oude herinnering.
Hij was nooit een vroolijk kind, een opgeruimde jongen geweest, maar al het laatst gebeurde had hem stiller en somberder dan ooit gemaakt. Ook de studie, met een minimum van lessen hulpmiddelen, en het bezwarende lesgeven pakten hem aan; de komende winter drukte hem neer en de gedachten aan zijn vader, aan Roosje, aan het oude huis, aan zijn moeder, wier sterfdag weer gauw zou verjaren, lieten hem niet los.
Toen de dag was gekomen en hij, vroeg opgestaan, stil op zijn kamertje het ״Kaddisj" had gezegd, de voeten aaneen en het gezicht naar het Oosten, naar de oude wijs, had hij plotseling het gevoel gehad, dat er tuschen hem en zijn moeder nu ook wat was gebroken, het gevoel alsof hij eigenlijk niet meer het recht had, het „Kaddisj" voor haar te zeggen. En die plotselinge gedachte had hem zoo smartelijk aangegrepen, dat hij snikkend was neergevallen op z'n bed.
Zóó had Hein hem gevonden, en toen kortweg verklaard, dat er een eind aan moest komen. Het miezerig winterweer zat hem dwars, beweerde de vriend, en hij werkte te hard. Hij-zelf trouwens ook. Hij ging er eens uit, voor een dag of wat naar Parijs en Daniël moest mee.
Daniël had geweigerd: hij kon z'n lessen niet laten schieten — enkele jongens moesten juist in de Kerst-vacantie extra bijgewerkt worden — en hij had ook
201