't maal in de Gaarkeuken, die dienden, volgens Hein, om de boonen te verdouwen.
Alleen tegen hem kon Daniël zich uitspreken en liefst nog in donker, als de ander z'n gezicht niet kon zien en er de smarten en ontroeringen van aflezen. In hun gezin, zeide hij, zag hij het afbrokkelend en verstervend Jodendom, het traditioneele Jodendom, stervend en ten ondergang gedoemd. Vader was de traditie zelf, het oude Jodendom met al zijn edelen moed en botte bekrompenheid, zijn voorname hoogheid en barbaarsche heerschzucht. Hij was de onwrikbare, de onbuigzame, met wien niet te schipperen of te transigeeren viel.
Zijn Jood-zijn was hem genoeg, was hem trots en troost, en z'n verhouding tot de overige maatschappij achtte hij niet, merkte hij nauwelijks, sterk in het oud-Joodsche besef van eigen waardigheid.
En al zijn kinderen waren van hem weg of van hem vervreemd, en daarmee ook van het Jodendom weg of van het Jodendom vervreemd uit logische oorzaak, ieder naar zijn eigen aard.
Hij-zelf voelde zich het leven, dat zich losmaakt, losscheurt met geweld, tot zelfbehoud, van het leven-Iooze lichaam van den ritus, waaraan het jaren lang vastgekluisterd heeft gezeten. Hij wist, hij voelde zich Jood, om den trots op het voorgeslacht, om zijn on-gebluschte liefde tot de oude verhalen en ook om zijn droefgeestigheid; toch was hij de meest positieve vorm van weerstand, de scherpste tegenstelling, het felste conflict. Maar ook van de anderen, wier heengaan en vervreemding uit toevallige oorzaak kon worden verklaard, zag hij het doen in verband met hun Joodzijn.
Esther had niet kunnen dragen de gering-achting, de terug-zetting, die ze als Joodsch kind al, van anderen, niet-Joden, had ondervonden. En naar den aard van haar gering karakter hadden zich de wrok
199