al z'n leven zou zoeken, bouwen en breken, tot hij het volmaakt-bevredigende zou hebben gevonden.
Voor 't oogenblik was hij bang en hij ontweek den drang van z'n socialistische vrinden, die hem wilden heenstuwen naar het partij-verband, waarin zij hun ideaal belichaamd zagen. Hij was bang, dat hij zich aan dit nieuwe ideaal zou gaan hechten, zooals hij als kind aan het Jodendom zich had gehecht, en hij had te veel en te pas geleden onder het rauwe afscheuren, om zich een tweeden keer aan die kans bloot te stellen.
Hij wilde schuw en bedachtzaam zijn, waken over zichzelf, z'n verstand de overhand laten en z'n geestdrift toornen, zoolang het kon.
Over z'n oude weerzinnigheden en gevoelsbezwa-ren was hij lang heen, lang reeds trouwens vóór de breuk met z'n vader. Hij at dagelijks met Hein en met Dries en de anderen, zonder er zelfs meer bij te denken; hij deed op Sabbath z'n werk in volkomen gemoedskalmte. Soms overdacht hij dit alles met bitterheid, wel wetend nu, hoe voor hem althans, dit alles, jaren lang door hemzelf, en vóór hem eeuwen lang door tientallen geslachten, in stand en in eere gehouden, niets meer was dan een massa meer of min dwaze aanwensels en vooroordeelen, waarnaar je, eenmaal goed en wel erover heen, zelfs nimmer meer terug dacht.
Ook, in plotselinge momenten tusschen het ingespannen werken des avonds, als hij z'n hoofd ophief van z:n boek en staarde in de suizelende lamp, overdacht hij vaak de droeve verbrokkeling, den ondergang van hun gezin. Hij zag de beteekenis daarvan, meende die te zien, dieper dan in de toevallige tegenspoeden van een vader, die z'n vrouw heeft verloren en met koppige weerbarstige kinderen is behept. En daarover sprak hij dan wel met Hein op hun wandelingen, urenlang, de dagelijksche zwerftochten na
198