Hoorde hij iemand de trap opkomen, dan trok hij zich terug, snel, in de slaapkamer, afkeerig van spreken en vertellen, van het lachen en het gevraag der anderen. Hein was na een week, op Daniëls dringen naar hun dorp om bericht gegaan, hoéwei hij er ongaarne meer kwam — en hij keerde vandaar met de tijding, die z'n zusje voor hem had ingewonnen bij Roosje, dat de oude man over 't ergste heen scheen en kalm leefde als tevoren.
Daarna had Daniël tot tweemaal toe geschreven, brieven, waarin hij naar z'n beste kunnen en met zorgvuldige woorden, die niet kwetsen konden, had neergelegd, wat hij dacht over de dingen, die hij verzaakt en verlaten had, hoe nü zijn inzichten en welke zijn argumenten waren. Hij had die beide brieven — die het hem vreemd was geweest te schrijven aan den vader, met wien hij nimmer tevoren recht-vertrouwelijk was geweest — ongeopend terugontvangen. Beide keeren had hij daarbij iets stil-smartelijks gevoeld, dat zich niet te uiten zocht, een lamgeslagenheid die hem in z'n eigen gevoel plotseling oud maakte en verstilde. Zoo was hij ook geworden sinds zijn intrek bij Hein; ouder en stiller. Maar óók welbewust genoot hij de verluchtende vrijheid, het eerlijke leven zonder dwang of sleur. Zóó sterk had hij dat verlossingsgevoel, dat het hem — met de vak-studie — voor z'n innerlijke behoeften volmaakt voldoende scheen. Voor 't oogenblik althans. Hij, die reeds als kind had geweten, dat het gewone leven, in welken kring ook, en met welken arbeid ook gevuld, hem nooit vergenoegen zou, die, van dat hij denken kon, den drang in zich wist naar iets hoogers, iets ontastbaars, doch sterker dan al het tastbare, boven het gewone leven uit, hij begreep wel, dat die gevoels-voldaanheid, dat innerlijke evenwicht niet duren zouden; dat de onvoldaanheid hem eenmaal weer zou aangrijpen, vroeger of later, en dat hij
197