't Eenige waar hij aan dacht en aan deed, dat was aan z'n studie en aan de lessen, waar hij van leven moest. En was hij al socialist geweest, wat dan nog? Stak toch geen schande in. Iedereen moest weten, wat-ie deed, als-ie maar ordentelijk bleef. Dat was zijn idee.
Z'n meisje stootte hem aan. Hij moest daar nou niet zitten suffen. Hoor, Saar ging piano-spelen, hij moest luisteren, nou werd 't pas gezellig. De theeboel was weggenomen, er zou wijn en taart worden gepresenteerd. Jozef, opgeschrikt uit z'n afwezig gesoes, keek een oogenblik versuft. Onder den glans van de lampen zag hij de gezichten naast en tegenover hem allemaal glimmend van hitte en jool; oom Manuel praatte, buitengewoon levendig voor zijn doen, met ouden Arons, een vakgenoot, over kapok en Engel-sche ledikanten, en tante, hijgerig in haar nauwe zwarte japon vol gitten, beijverde zich om stilte te krijgen en aandacht voor Saars pianospel, dat lang geen gekheid en haar glorie was. Maar gemakkelijk ging dat niet, want Max en Pim zaten mekaar onophoudelijk gijntjes in te fluisteren, schuinigheidjes zeker, want de ״dames" mochten niet hooren en Leon-netje, tuk, was lacherig achter Pims stoel komen staan. Telkens bogen nu de drie koppen, Pim's grof-rooie en die van Max' pips en rossig, met 't wiebelend glans-lorgnetje, en Leonnetje's onbeduidend schooljongensgezicht, in broeierig fluisteren naar elkaar toe, dat even duurde en zich dan oploste in vet-tigen lach. Het sjeneerde tante, ze werd haast boos. Saar stond al bij de piano, keek bits en beleedigd. Als ze niet ophielden, bedankte ze nog. Ze kon zoo een kopstuk wezen! Oude mevrouw Arons wachtte, oogjes toegenepen, handjes in den schoot, een toe geefelijk glimlachje — 't waren ommers vrije jongelui, je moest wat door de vingers zien! — op de bolle glimkoonen.
195