hij noodig was. Het was niet noodig geweest. Na enkele dagen was vader verkalmd, kalmer geworden zelfs dan voorheen, zóó stil en afwezig, dat Roosje z'n driftbuien, z'n natuurlijker mopperen haast betreurde. Ze had het hem, Jozef gezegd, en hoe beklemmend ze dat sombere zwijgen vond en hoe haar benauwde en neerdrukte het eenzame leven met vader, voor wien ze haast bang was den laatsten tijd, en hoe ze Daniël miste.
Het wroegde hem eigenlijk, dat hij niet vaker naar het oude huis terugging, om het eenzame kind te troosten en wat met vader te praten. Er was zoo weinig aardigheid aan — vader scheen nauwelijks wat hij zei te hooren, hij bemoeide zich met niets meer. Moos Meijer deed den winkel, die was nu compagnon geworden — en hij had er voortdurend ruzie om met z'n meisje. Minder dan ooit durfde hij vader lastig vallen met de mededeeling van zijn verloving, zijn goedigheid was afkeerig van nieuw verdriet voor den ouden man, en zijn vredige aard van strubbeling en krakeel. Vóór 't trouwen hadden ze nog tijd genoeg.
Zoo kwam hij dan zelden meer thuis. En ook Daniël sprak hij haast nooit. Hij-zelf leefde en ging op in z'n Jodenbuurt, waar hij z'n meisje, z'n werk, z'n vrinden en z'n kosthuis had, en Daniël scheen daar nooit te komen. Hij woonde ergens in de Pijp, z'n adres wist hij niet eens, met Hein Bonten — dien hij zich nog herinnerde van vroeger — en nog een paar studenten. Hij had 't niet breed, gaf lessen, en die lui schenen elkaar te helpen.
Niet mooi was 't geweest, zooals hij had gehandeld tegen vader, maar moesten die stomkoppen van een Pim en een Max daarom op hem schimpen en vertellen, dat hij socialist was geworden en god-weet-wat-meer? En geen woord van aan! Daniël had het hem zelf gezegd. Hij was geen socialist. Hij was niets.
194