souper voor twintig man. Want zooveel zouden er wel komen.
XXXI
Jozef had óók een uitnoodiging gekregen, voor hem en voor Rebecca, z'n meisje, de zuster van z'n vriend David Kapper, 'n Briefje van Leon vond hij bij zijn kostlui, toen hij thuiskwam van 't magazijn en, erg in z'n schik, ging hij dadelijk na 't eten op stap, om 't Rebecca te vertellen.
Haar ouders hadden een banketbakkerij in de Weesperstraat en ze bewoonden, behalve de achter -winkelsche kamer, een étage daarboven.
Er was dien avond, een ongewone drukte een fleurige gezelligheid in de winkelstraten van het Joden-kwartier. De komende vreugde van het Poeriemfeest hing in de lucht. Er was stemmengeroes, geslif van voeten over 't modderige asfalt, pretlachen van meisjes, die door jongens werden achternagezeten, speel-gekrijsch van heele benden kinders. De banketbakkers hadden voor hun verlichte uitstalramen de platte koeken opgetast tot hooge stapels, zwartbestrooide maanzaadkoeken en gevulde koeken en koeken met snippers, en bij den poelier lagen en hingen heele risten panklare wit-en-bruinvleezige vogelbeesten in de onderhuisdeur of achter de ruiten te pronk. De duistere steegmonden wriemelden van blij-gestemde lieden, die zich snetterend en dringend en keurend tusschen de fakkelwalmende fruit- en vischkarren bewogen. Schrille en rauwe roepen klonken uit boven 't confuus rumoer.
Jozef voelde zich prettig in die vredige, blije drukte, één ermee. Hoe had hij zich gehecht aan deze buurt, waar hij nu al jaren achtereen eenzelfde betrekking had, eenzelfde huis bewoonde en zich opper-
186