of even erg, een vuilpoes als David Kapper, die geen meid met rust kon laten. Leon zou in huis blijven, in zijn huis en onder z'n moeder's toezicht.
En die Poeriem-partij, in godsnaam dan maar, als 't hem verveelde, ging-ie vroeg naar bed. En zonder ״lernen" 't nieuwe huis betrekken, in godsnaam ook dat dan maar weer. Kon hij eigenlijk den Rebbe nog wel bij zich vragen, terwijl hij aan allerlei dingen merkte, dat 't moeder allang niet nauw meer stak met 't koosj er-houden van vaatwerk, met 't scheiden van vleeschspijs en melkspijs, dat er allerlei sluik-sche overtredingen gebeurden, al kwam er — en dat nooit? — dan geen verboden eten in huis en al werden voor 't uiterlijk nog de hoogtijden gevierd?
Bets en Saar echter verheugden zich zeer op de partij en wenschten dat moeder nu eens ter dege uithalen zou. Ze hadden 't er toch voor? Moeder wou wel, maar ze zat, ondanks zichzelf, te vast aan 't overvloedige geld gebakken, om niet te pingelen en zuur te kijken bij al die buitensporigheden, die de meisjes voorstelden. Een souper van den kok, van Wertheimer, die wèl fijn, maar zoo duur was. Waarom niet eenvoudig van Nathans, als er dan met geweld een souper moest zijn?
Ze spraken erover een paar dagen tevoren, een triesten middag, einde Maart. Ze zaten in de kers-nieuw gemeubelde achterkamer, die uitzag op den kalen, smallen tuin, alle drie geelbleek en pafferig in het late licht: de moeder in gitten-ruischelende zwarte zij, de dochters opgedirkt met kleurige overdadig gegarneerde japonnen, waarin de corsetboe-zems puilden de tailles ingeperst en de buiken platgedrukt waren.
Bij 't raam, in lagen, molligen stoel zat lui, de dikke beenen wijd uiteen, de moeder, en de meisjes tegenover haar in rieten fauteuiltjes.
Bets dee 't woord:
183