״moderne" stond hem tegen. Dat zijn jongen student was, goéd, bést, hij kon het betalen, hij sappelde hard genoeg om op z'n ouden dag den kowed te hebben van een geleerden zoon; dat z'n meisjes vrijers hadden, óók niets tegen, 't was 's werelds beloop, al had hij voor zich het niet begrepen op die „Max" en die „Pim" — Meyer en Benjamin, als gazzertjes met vette jasjes en afgetrapte bottines had-ie ze gekend, en die schaamden zich voor hun Joodsche namen! — al verdienden ze nog zooveel centen.
't Was niet noodig, en 't was niet goed dadelijk zoo royaal te kunnen beginnen. Beter in de eerste jaren te moeten tobben voor de boterham, dat was gezond en hield de ruzie uit de deur. Al die overdaad, hij had er niets mee op. Saar en Bets droegen bijkans niets dan zij en fluweel, God zou 't hem vergeven, 't waren z'n eigen kinderen, maar mèt al hun zij en fluweel „mies" bleven ze toch! In d'r zwart merinossen jakkie was hun moeder in haar tijd een vrij wat mooier meid geweest!
Dat ze verhuisd waren, goéd, al gaf 't rompslomp, al was 't eigenlijk niet noodig. 't Kon geen kwaad, als de lui merkten dat je centen had, dat je wat mans was. Maar je zou 't beleven, nog meer roezemoes zou er zijn, nog minder rust zou hij zelf hebben in z'n nieuwe huis dan in het oude. Want een kamertje voor hem kon er niet overschieten, Lena en de meisjes hadden allang beschikt en bedisseld, hoe de ruimte verdeeld zou worden. Leon's kamer — natuurlijk, een student had een kamer noodig — die had-ie kunnen krijgen, als-ie Leon 't huis liet uitgaan. Maar nèe.... nèe.... Zijn jongen was geen Daniël Lehren, zijn Leon was geen „genie" God-zij-geprezen, nèe — hij was een beste, kalme jongen, een beetje lui, omdat-ie wist dat z'n vader centen had. God weet wat er van 'm werd, als׳ie hem alleen liet wonen! Een bandelooze, brutale snotjongen als Daniël,
182