met den stuggen neef, die z'n vader had verlaten en met z'n geloof openlijk had gebroken — een schande voor het Jodendom, had de Rebbe gezegd — maar uit de verte bespiedde hij hem en benijdde hem, ondanks z'n sjofele kleeren en de armoe, waarin hij ongetwijfeld leven moest.
Leonnetje had niet zooveel vertrouwen als moeder en de zusters in de attractie van het aanzienlijker huis en de kamer voor hem alleen. Niet zelden ver-wenschte hij zijn student-zijn, dat z'n moeders eerzucht hem had opgedrongen, de studie, die hem zwaar viel en waartegen hij opzag, al had hij zich niet te haasten en haast benijdde hij Max en Pim, die gezelligheid hadden en aanzien genoten bij hun kameraden en eigen baas waren, met véél centen. Ook Jozef, Daniël's broer, die geregeld bij hen aan huis kwam en lollig kon vertellen van het magazijn, waar hij allerlei gijntjes beleefde en die een meisje had, benijdde hij soms. Maar meestal was hij zich toch wel z'n erkend overwicht, z'n aanzienlijker stand als een voorrecht bewust. Dan meende hij ook, dat moeder en de zusters misschien gelijk hadden en dat de vriendschap en de vriendjes wel komen zouden, nu ze een mooi benedenhuis hadden betrokken in de deftige Sarphatistraat.
Het huis zou worden ingewijd met een Poeriem-fuif. In het vorige jaar was nog op z'n ouderwetsch ״gelernd", toen vader en moeder het hadden betrokken met twee van de drie kinderen, kleuters destijds. Er was een Rebbe gekomen, er waren enkele van vaders vrienden genood, men had het huis gewijd met lofspreuk en zegenbeê en daarna altezamen een kopje koffie gedronken en een bolusje gegeten. Dat was naar de ouderwetsche wijs en Rubenssohn had om een lief ding gewenscht, dat hij op die zelfde oud-Joodsche manier in z'n nieuwe huis had kunnen trekken. Al dat nieuwerwetsche, wat ze noemden
181