allang, om het zoover te krijgen, zij vonden het popperige bovenhuis je héél niet aanzienlijk. Voor moeder was het wat anders, die moest zich na al die jaren in haar vaders voddenzaak op Rapenburg, in de ruimere étage aan den Amstelkant wel als in een paleis gevoelen, maar zij, de dochters, trokken voor de onvrije trap, de smalle gangetjes, de éénige zitkamer en de op zolder afgeschoten slaapkamertjes den neus op.
Konden ze Max en Pim, haar vrijers — oorspronkelijk Meyer en Benjamin genaamd — daar nog langer brengen? Bah, als ze op Sjabbesmiddag te visite waren, dan roken ze letterlijk alles, wat er in de keuken werd klaargemaakt en ze konden de meid, de brutale, knappe Christen-meid haar gojsche deunen hooren galmen! Zóó ging het niet. En ze waren verhuisd. Vader verdiende genoeg en voor wie zou hij sparen? Zij, Saar en Bets, kregen mannen met broodwinningen. Max en Pim waren allebei in het diamantvak en verdienden dik centen; je moest ze zien op Sjabbesmiddag, met hun fijne pakken, hun ringen, hun sigaren-met-bandjes en zijen dassen. Hadden ze óók niet gedacht toen ze in 't vak gingen als kwajongens van veertien, gazzertjes, te leelijk en te sjlemielig om naar te kijken. Toen hadden ze dan ook niet om ze moeten komen! En Leonnetje, voor hem hoefde vader ook niet te sparen, die was nu negentien, had eindexamen gedaan en was student. Dokter zou-die worden of advocaat, en hij was geen armoe-student, geen kale ״gattes" als neefie Daniël, hij studeerde royaal, zooals vader het kon betalen, hij was corps-student, hij had een muts en een sjerp waar Pim en Max gijntjes over maakten, maar waar ze toch jaloersch op waren, en in het nieuwe huis had hij een eigen kamer gekregen, om al z'n dingen en z'n boeken op te hangen en neer te zetten. En z'n vrienden te ontvangen.
179